De Nederlandse Kafka-kring

Paul van Ostaijen en Franz Kafka, een ontmoeting

Leo Frijda

Paul van Ostaijen las ik al toen ik nog op de middelbare school zat. In die tijd waren er de Ooievaars voor slechts ƒ 1,45. Zij ‘brengen u voor bijna geen geld de beste literatuur en de plezierigste ontspanning’, staat er op de achterkant van nummer 17 uit 1955. Het is de bloemlezing Music-Hall met gedichten en grotesken van Van Ostaijen. Vooral het Alpejagerslied bekoorde mij, het bekende gedicht over een heer die de straat afdaalt en een heer die de straat opklimt, vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx.
   Nog steeds is mijn belangstelling voor Van Ostaijen niet uitgedoofd. Ik kocht daarom de prachtige facsimile-heruitgave van Bezette stad dat in 1921 verscheen. Dit honderdjarig jubileum wordt gevierd met een tentoonstelling in het Letterenhuis in Antwerpen.
   Verder zag ik dat een bijzondere publicatie te koop werd aangeboden, de door Hinderickx en Winderickx uit Utrecht in 2007 verzorgde bibliofiele uitgave van de door Paul van Ostaijen gemaakte vertalingen van vijf korte verhalen van Kafka uit diens eerste bundel Betrachtung. Het gaat om Zum Nachdenken für Herrenreiter, Wunsch, Indianer zu werden, Die Vorüberlaufenden, Zerstreutes Hinausschaun en Der plötzliche Spaziergang. Met de Duitse en de Nederlandse tekst naast elkaar. Deze door Van Ostaijen in 1924 vertaalde verhalen waren destijds opgenomen in het Kafka-boek voor Jan Erik Bouman. Daarnaast verscheen een losse uitgave van de verhalen in een beperkte oplage van vijftig stuks.
   Ook deze bibliofiele uitgave is prachtig vormgegeven met lino’s gesneden door Lidwien Dister. Het nawoord is van Van Ostaijen zelf. Over ‘de bibliofiele drukker’ Jan Erik Bouman (1947-2010) en diens vele ‘donkere boekenkasten met Franz Kafka, Joseph Roth en vertaalde Chinese poëzie’ schreef Jan Paul Hinrichs in De Parelduiker, 2010.

  Het handschrift van de vertalingen van Van Ostaijen is niet teruggevonden. De in 1924 gemaakte vertalingen zijn in 1925, met bovenstaand nawoord, gepubliceerd in het tijdschrift Vlaamsche Arbeid van mei-juni van dat jaar. Het zijn de eerste vertalingen van Kafka in het Nederlands. Daarover Reiziger in scheerapparaten, Kafka in Nederland en Vlaanderen van Niels Bokhove[i].
  Op 10 december 1912 ontving Kafka een exemplaar van de eerste druk van Betrachtung. Het was zijn eerste publicatie in boekvorm. De uitgever, Rowohlt, had 800 exemplaren gedrukt. Daarvan waren in 1915 ongeveer 300 exemplaren verkocht. Voor de tweede druk van dat jaar zijn de overgebleven exemplaren van de eerste druk gebruikt met een ander titelblad. Eerst in 1924 was Betrachtung uitverkocht. Sommige verhalen uit Betrachtung waren voordien al in periodieken als Bohemia afgedrukt. Zie Kafka, Drucke zu Lebzeiten, Apparatband.
   Dus vroeg ik mij af hoe of door wie Van Ostaijen al in 1924 met het werk van Kafka bekend was geworden. Waarschijnlijk tijdens zijn verblijf in Berlijn, meent Bokhove. Onze speurtocht beginnen we daarom in Berlijn waar Van Ostaijen verbleef van eind oktober 1918 tot eind mei 1921.
   Verschillende boeken zijn voorhanden over die periode in het leven van Van Ostaijen. Op de eerste plaats staan de boeken van Gerrit Borgers waarin chronologisch de gangen en contacten van Van Ostaijen zijn beschreven: Paul van Ostaijen, Een documentatie en Kroniek van Paul van Ostaijen[ii]. Van Ostaijen zou, lees ik bij Borgers, vanaf december 1918 tot in 1920 ‘stamgast’ zijn geweest van het Café des Westens. Dat zal het geval zijn, ik zie geen reden voor twijfel, maar in die tijd was dit café al niet meer de belangrijkste ontmoetingsplaats van kunstenaars. Om hen te ontmoeten kon men beter naar het in 1915 geopende Romanisches Café gaan[iii].
   Van Ostaijen kan Kafka daar in zijn Berlijnse tijd niet hebben ontmoet. Niet alleen woonde Kafka eerst van september 1923 tot 17 maart 1924 in Berlijn, ook is niet overgeleverd dat hij op enig moment een van de genoemde cafés heeft bezocht. Wel bezocht Kafka in Berlijn een enkele keer café Josty, op 23 maart 1913 en op 24/25 september 1923. In 1913 was Kafka daar gelijktijdig met Else Lasker-Schüler. In datzelfde jaar ontmoette Kafka haar opnieuw maar nu in Praag. Hij hoorde Lasker-Schüler in de Praagse Klub deutscher Künstlerinnen en wandelde daarna met haar en anderen naar café Arco.
   Van een bijzonder, meer persoonlijk contact tussen Kafka en Else Lasker-Schüler was geen sprake en dat lijkt ook te gelden voor Van Ostaijen en Else Lasker-Schüler. Van Ostaijen kende haar gedichten al voor zijn verblijf in Berlijn en hij vereerde haar. In de bundel Het Sienjaal staat een gedicht met haar naam als titel. Ik citeer het tweede couplet:

Woorden zijn wegvallende gordijnen:
o ontwaken van de schone prinses en het
zwemmen
van haar ogen in het onvatbare water.

Waarschijnlijk heeft Van Ostaijen dit gedicht geschreven april 1918, dus anders dan Hans Olink in Berlijn! Berlin! In het spoor van de geschiedenis[iv] lijkt te suggereren, niet na hun ontmoeting in Berlijn. Volgens Borgers heeft Van Ostaijen Else Lasker-Schüler in Berlijn maar één keer ontmoet, bovendien ‘bij (de dichter en kunstcriticus Theodor) Daübler’. Die ontmoeting viel ook nog eens tegen, schrijft Olink net als Marc Reynebeau[v]. De enige levende Duitse auteur, merkt Reynebeau op, die de bewondering van Van Ostaijen wegdroeg, nadat ook zijn appreciatie voor Else Lasker-Schüler wegsmolt, was Salomo Friedländer, voor Van Ostaijen ‘een prachtig mens’ en ‘de beste’ schrijver.
   En dan hebben we nog Nico Rost, de Nederlandse journalist en vertaler die, zie Bokhove, al in De Telegraaf van 3 maart 1923 over Kafka had geschreven. In dat jaar zou Rost in gezelschap van Egon Erwin Kisch Kafka persoonlijk hebben ontmoet, zittend op een bankje op een plein in Steglitz. In 1924 schreef Rost bovendien over Kafka in Greshoffs tijdschrift De witte mier en in Groot Nederland. 
   Nico Rost kan dus slechts door zijn vroege artikelen over Kafka een gids voor Van Ostaijen zijn geweest want ik heb niet gevonden[vi] dat Van Ostaijen en Rost elkaar persoonlijk hebben gekend. Dat zal temeer gelden voor de Berlijnse tijd van Van Ostaijen want Rost heeft wel in Berlijn gewoond, maar dat was vanaf begin 1922. Naar Kisch loopt evenmin een spoor, zo lijkt het. In de door Marcus G. Patka geschreven biografie van Kisch wordt Van Ostaijen niet genoemd.

Daar komt bij dat Van Ostaijen in zijn Berlijnse tijd meer met beeldende kunstenaars omging dan met schrijvers. ’Schilders zijn verstotelingen zówel als ik: Seelenverwandtschaft’, schreef hij vanuit Berlijn aan zijn vriend Geo van Tichelen.
   Toch waren er in Berlijn enkele schrijvers die Van Ostaijen op Kafka kunnen hebben gewezen. Dan valt vooral de naam van Salomo Friedländer en worden vaak ook Herwarth Walden en Walter Mehring genoemd. Salomo Friedländer schreef onder het pseudoniem Mynona talrijke grotesken, onder meer in Die weissen Blätter. Borgers noteert dat Van Ostaijen voor hem ‘grote waardering kreeg’. Bovendien leerde hij door Friedländer ‘de grotesken kennen van diens in 1915 overleden vriend Paul Scheerbart, door Van Ostaijen ‘de grootste duitse schrijver’ genoemd maar door Walter Mehring ‘een door bier benevelde sprookjeskikker’. Volgens Borgers had Van Ostaijen ‘regelmatig’ contact met Mehring. In diens bekende boek, Die verlorene Bibliothek, Autobiographie einer Kultur[vii], komt Van Ostaijen echter niet voor. Wel Kafka, uitgebreid, en ook Herwarth Walden (pseudoniem van Georg Levin), de oprichter van Der Sturm. Maar dan zijn we weer bij de beeldende kunstenaars.
   Blijft vooral Salomo Friedländer. In De stem der Loreley, samengesteld door Geert Buelens en Erik Spinoy, staat een bijdrage van de hand van Kathrin Kötz[viii]. In haar opstel noemt zij in één adem Scheerbart, Mynona en Kafka als de Duitse auteurs voor wie Van Ostaijen in zijn Berlijnse tijd de grootste bewondering heeft en zij voegt daaraan toe: ‘Wanneer men het werk van de drie door Van Ostaijen zo gewaardeerde auteurs bekijkt, springt een gemeenschappelijk kenmerk in het oog: de neiging tot het groteske’. Daarmee is de vraag hoe en door wie Van Ostaijen in Berlijn op het spoor van Kafka kwam wat mij betreft nog niet duidelijk beantwoord.

Als intermezzo twee paar foto’s. Links de foto van een jonge Kafka waarover Walter Benjamin schreef: ‘Onmetelijk treurige ogen beheersen het voor hen geschapen landschap, waar de schelp van een groot oor in probeert door te dringen.’ Rechts een foto van een jonge Van Ostaijen, het ‘zondaags Polleken’.

      

Hieronder links de pasfoto van Paul van Ostaijen, bestemd voor de vreemdelingenpolitie, gemaakt in het Kaufhaus des Westens. Mogelijk in de tijd dat Van Ostaijen met zijn vriendin Emma Clément een kamer had betrokken in de Wilhemstrasse, een zijstraat van de Leipziger Strasse. Daar, op zo’n kwartier lopen van de Wilhemstrasse, bevond zich een warenhuis van Wertheim waar enkele jaren later, oktober 1923, Franz Kafka een foto liet maken, ook een pasfoto op klein formaat zoals valt op te maken uit de afbeelding in het boekje van Hans-Gerd Koch, Kafka in Berlin.

We verlaten nu Berlijn en raadplegen opnieuw de dissertatie van Gerrit Borgers uit 1971. En dan blijkt tot mijn verrassing dat Van Ostaijen al van Kafka had gehoord voordat hij eind oktober 1918 naar Berlijn ging. Een vriend van Van Ostaijen, Oskar de Smedt, had in het studentenblad De Goedendag van juni 1916 Kafka genoemd onder de jong-Duitse literatuur. Van Ostaijen kende dat studentenblad en schreef er ook zelf een bijdrage voor.
   Googlend vond ik een artikel in De Vlaamse Gids uit 1950 waarin Eugène de Bock opmerkt dat in Vlaanderen in de jaren twintig van de vorige eeuw de Duitse literatuur met belangstelling werd gevolgd. In dat verband noemt hij Die weissen Blätter, ‘een tijdschrift dat in 1913 was opgericht en in de Stadsbibliotheek te Antwerpen voorhanden was’. Over Kafka merkt De Bock op dat hij ‘tot deze zelfde sfeer behoorde, al heeft hij, meen ik, aan Die weissen Blätter niet medegewerkt, en is hij misschien iets later gaan publiceren’.
   Anders dan De Bock meent, heeft Kafka wel degelijk aan Die weissen Blätter meegewerkt. Weliswaar zijn daarin geen van de verhalen uit Betrachtung gepubliceerd maar wel verscheen oktober 1915 in dat blad een voorpublicatie van Die Verwandlung. Bij Kurt Wolff Verlag verscheen reeds kort daarna, vermoedelijk al december 1915, de boekpublicatie. Borgers vermeldt dat Van Ostaijen aan zijn vriend Firmin Mortier Die Verwandlung te lezen gaf. Hoe dan ook, Van Ostaijen had een exemplaar en naar het zich laat aanzien kende Van Ostaijen al vóór zijn Berlijnse tijd het werk van Kafka kende en had hij daarvoor belangstelling opgevat.

Waarom heeft Van Ostaijen in 1924 verhalen uit Betrachtung vertaald en niet een van de latere publicaties van Kafka? En waarop berust de keuze van Van Opstaijen voor de vijf door hem vertaalde verhalen?
   Gerhard Kurz[ix] oppert dat Van Ostaijen waarschijnlijk de eerste uitgave van Der Process uit 1925 had gelezen met het nawoord van Max Brod en hij voegt daaraan toe: ‘Van Ostaijen muss den Roman sofort nach seinem Erscheinen gelesen haben’. Als dit juist is, kan Van Ostaijen zijn eigen nawoord eerst in 1925 geschreven hebben wat indruist tegen de aanhef.
   Het boekje Paul van Ostaijen en Emma Clément, Een liefde in brieven (1922-1928), is ingeleid en geannoteerd door Marc Reynebeau[x]. Hij legt een ander verband en daarvoor is de tijdlijn van Paul van Ostaijen van betekenis zoals die is opgenomen voorin het nog te noemen boekje over Miavoye. Daar staat bij juli 1924: eerste symptomen van longtuberculose. Terug naar Reynebeau:

Slechts indirect heeft hij (Van Ostaijen) medio 1924 iets over zijn houding tegenover zijn ziekte tot uiting gebracht. Hij vertaalde die zomer enkele prozastukjes van de toen net aan tbc gestorven Franz Kafka. […] Pauls Kafka-commentaar bij deze vertaling krijgt in het licht van zijn briefjes aan Emma over zijn eigen ziekte […] een bijzondere betekenis: ‘Ziekte, waarvan het dwingende einde hem bekend was, droeg hij met geduldige lach, die zich in zijn werk weerspiegelt. […] Uit het hier vertaalde moge zijn superieure geestelijke houding blijken.’ Blijkbaar was dit de houding die hij zelf wou aannemen: niets laten blijken.

Als men wil nagaan of het werk van Kafka Van Ostaijen kan hebben geïnspireerd, duikt steeds het woord groteske op, ook door Van Ostaijen zelf gebruikt. Het was in Berlijn dat ‘de stroom van grotesken loskwam’, schreef Borgers in de inleiding van mijn Ooievaartje.
   In haar bijdrage aan De stem der Loreley stelt Kathrin Kötz zich de vraag wat Van Ostaijen met zijn grotesken wilde bereiken. Zij vat het zo samen: ‘Achter de clowneske façade gaat de oprechte bedoeling schuil om de onvolmaaktheid van de wereld aan de kaak te stellen’. Kötz verwijst in dit verband uitdrukkelijk naar Friedländer/Mynona en diens grotesken. Kafka heeft bij haar het toneel dan al verlaten.
   Haar opvatting lijkt enigszins op die van Thomas Vaessens in het tijdschrift Vooys (1997) over Kafka en Van Ostaijen. Vaessens gaat echter van Kafka naar Van Ostaijen. Hij neemt als uitgangspunt ‘het kafkaëske’ dat ‘vragen stelt aan de fundamenten van ons moderne denken’. Kafka schreef ‘de meest artistieke kritiek op de starre contouren van de moderniteit. Maar niet als de enige. Ook in onze taal zijn kafkaëske verhalen geschreven, en wel door Paul van Ostaijen.’ Vaessens acht de overeenkomsten tussen de twee auteurs treffend: ‘allebei bevragen ze nadrukkelijk de moderne tijd’.
   Deze korte samenvattingen helpen, zo meen ik, de geïnteresseerde lezer van Van Ostaijen en Kafka niet verder op weg. Dan moet er bovendien een weg zijn die beide schrijvers bewandeld hebben.
   Bij Kafka vinden we soms slapstick, zoals de scéne in Der Process waarin de advocaten van de trap van het gerechtsgebouw worden gegooid.[xi] Op Betrachtung, Kafka’s vroege werk, lijkt mij het begrip slapstick niet van toepassing. Wel het begrip groteske? Gerhard Kurz spreekt voorzichtig van ‘groteske Elemente’: ‘Die grotesken Elemente in Kafkas Werk mögen den Verfasser (Van Ostaijen) von grotesk-satirischen Texten angesprochen haben.’ En in het Kafka Handbuch lees ik dat in het verhaal Der Ausflug ins Gebirge ‘sich die surreale Phantastik steigert bis zu einer grotesken Totalität’. Maar juist dat verhaal uit Betrachtung heeft Van Ostaijen niet vertaald.
   Borgers noemt alleen het verhaal De Uitvaart van Van Ostaijen dat door het werk van Kafka kan zijn beïnvloed. Het dateert uit 1926 en is ‘de eerste van een reeks prozaschetsen, die Van Ostaijen in de loop van 1927 met zijn Vier proza’s heeft voortgezet’. De Uitvaart is geen groteske, al is het wel in deel 3 van het Verzameld werk, onder Grotesken en ander proza opgenomen. Borgers noemt het ‘een fenomenologisch ervaringsverslag’ dat ‘overeenkomst vertoont’ met de ‘poëmata in proza’ uit Kafka’s eerste bundel Betrachtung, die Van Ostaijen had vertaald. Daar zit wel iets in. Maar, zo komt me voor, ook niet meer dan dat.
   Kafka en Van Ostaijen waren tijdgenoten en elk van beiden schreef karakteristiek werk. Aan te nemen valt dat het werk van Kafka de schrijver Van Ostaijen al vroeg in hoge mate heeft geboeid. En dan is het pijnlijk dat hij niet meer alles heeft kunnen lezen wat van Kafka was verschenen.



Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis

Dit is de laatste brief van Van Ostaijen aan Emmy Clément van 3 maart 1928 waarin hij haar vraagt Das Schloss van Kafka aan hem op te sturen. Das Schloss was pas in 1926 voor het eerst gepubliceerd. Van Ostaijen is kort daarna, 18 maart 1928, in Miavoye overleden, nog maar 32 jaar oud.
   Kafka’s Die Vorüberlaufenden, De voorbijlopenden, begint in de door Van Ostaijen in 1924 gemaakte vertaling zo:

Wanneer men in de nacht door een smalle straat wandelen gaat, en een man, van verre reeds zichtbaar – want voor ons stijgt de steeg en het is volle maan – ons tegemoet loopt […].

In deze ontmoeting kan men, ook al gaan beide teksten daarna hun eigen weg, de enigszins vage maar in de nacht toch al waar te nemen contouren zien van de heren Hinderickx en Winderickx uit het Alpejagerslied, het gedicht dat Van Ostaijen opdroeg aan zijn vriend Du Perron die hem op 16 oktober 1927 in het sanatorium in Miavoye had bezocht.
   Oktober 2013 is Koen Peeters samen met anderen op bedevaart gegaan naar Miavoye. Daarvan is een mooi boekje[xii] gemaakt waarin Peeters het Alpejagerslied aan zijn medereizigers voorleest. ’Waarom lees je nu precies dit gedicht’, wilde men weten. ‘Omdat het gaat over ontmoetingen tussen mensen’, antwoordt Peeters, ‘vreemden vooral. We raken elkaar even aan in hoffelijkheid, en soms beroeren we daarin reeds elkaars diepste wezen. Het is een vreemde mix van vriendschap en eenzaamheid’.

april 2021

 

[i] Niels Bokhove, Reiziger in scheerapparaten, Kafka in Nederland en Vlaanderen, Amsterdam 1984.
[ii] Gerrit Borgers, Paul van Ostaijen, Een documentatie, Den Haag 1971 en Gerrit Borgers, Kroniek van Paul van Ostaijen 1896-1928, Den Haag/Brugge 1975. Zie ook Geert Buelens, Van Ostaijen tot heden, Zijn invloed op de Vlaamse poëzie, Nijmegen 2001. Hier past de opmerking dat ik in deze coronatijd gemakkelijk boeken antiquarisch kon aanschaffen maar het daarmee ook moest doen. Mijn speurtocht is zeker niet allesomvattend.
[iii] Zie daarover de hoofdstukken 11 en 12 van mijn boekje Tel me bij de amandelen, Amsterdam 2019.
[iv] Hans Olink, Berlijn! Berlin!, In het spoor van de geschiedenis, Baarn 2016.
[v] Marc Reynebeau, Patagonië, Dichter in Berlijn, De ballingschap van Paul van Ostaijen (1918-1921), Groot-Bijgaarden z.j.
[vi] Ook niet in De man die van Duitsland hield, het boek van Hans Olink over Rost, Amsterdam 1997.
[vii] In het Nederlands vertaald door Louis Houët onder de titel De verloren bibliotheek, ’s-Hertogenbosch 2010.
[viii] Geert Buelens en Erik Spinoy, De stem der Loreley, Over Paul van Ostaijen, Amsterdam 1996.
[ix] Gerhard Kurz, Kafka in den Niederlanden, in Kafka-Kolloquium, Utrecht Mai 1984, uitgegeven door Jattie Enklaar en Peter Küpper.
[x] Ik heb je nog steeds zeer lief, Poëziecentrum Gent 1996. Voor het boekje over Miavoye zie noot xii.
[xi] Over de humor bij Kafka is vaak geschreven. Van Weltsch tot Stach.
[xii] Miavoye, Op bedevaart naar Paul van Ostaijen, Koen Peeters, Pascal Verbeken, Peter Holvoet-Hanssen, Koen Broucke, Antwerpen 2014.